Groentebedden staan regelmatig tijdelijk leeg: de oogst is binnen, of het volgende gewas moet nog de grond in. In ons klimaat blijft kale grond nooit lang kaal. Voor je het weet neemt ongewenst groen het over. Door bewust te kiezen voor biologische groenbemesters houd je zelf de regie over wat er groeit.
Groenbemesters zijn snelgroeiende planten die je niet oogst, maar uiteindelijk onderwerkt in de grond. Ze voeden niet jou, maar de bodem – en dat betaalt zich later dubbel en dwars terug.
Na het afsterven of onderwerken vormen blad en wortels ter plekke compost: eerst snelle voeding, later humus voor langdurige bodemvruchtbaarheid.
Globaal kun je onderscheid maken tussen:
Wintergroenbemesters
Zomergroenbemesters
(Let op: deze indeling is niet strikt. Koolzaad en phacelia kun je bijvoorbeeld ook tot in de vroege herfst zaaien.)
Zaai groenbemesters breedwerpig op schone, licht vochtige grond en hark het zaad oppervlakkig in. Laat het gewas groeien tot het in bloei komt of tot je het bed weer nodig hebt.
Voor zware grond geldt: in het najaar altijd verwerken.
Maai het gewas eerst af en laat het een paar dagen verwelken. Daarna kun je het:
Bij granen en raaigrassen is het belangrijk de wortels diep onder te werken. Wacht daarna ongeveer drie weken met zaaien of planten, omdat de vertering tijdelijk stikstof kan onttrekken.
Uittrekken kan ook: snijd of hak het wortelgestel af, verdeel het groen over het bed en laat regenwormen en bodemleven het werk doen.
Met groenbemesters werk je niet tegen de natuur in, maar samen met de bodem. Dat levert gezondere grond, sterkere planten en uiteindelijk een betere oogst op.